Tijd voor de grote schoonmaak: laten we de bezem halen door de modellen die we gebruiken
Professionals op het gebied van leren, opleiden en onderwijs gebruiken met enige regelmaat modellen als Bloom, ADDIE en Kirkpatrick. Dergelijke modellen geven de professie structuur en een gedeelde taal, maar kunnen uitgroeien tot dogma’s die nauwelijks nog ter discussie worden gesteld. Bert De Coutere pleit in Time for a Spring Cleaning: Reclaiming Sovereignty Over the Models We Use ervoor om dat wel te doen en zo nodig een eigen model te bouwen dat bij de eigen context past.
Volgens Bert houdt de ‘leerprofessie’ van modellen en raamwerken. Op vrijwel elk congres, ook tijdens de OEB, wordt wel een nieuw raamwerk, acroniem of ‘flywheel’ getoond. Modellen vereenvoudigen de werkelijkheid, helpen uitkomsten te voorspellen en bieden houvast bij het uitvoeren van werk.
Tegelijk dienen modellen volgens hem een commercieel belang. Ze gaan vaak gepaard met adviestrajecten, licenties en vendor lock-in. Bovendien kunnen kant-en-klare raamwerken slecht aansluiten bij de cultuur, de mensen en de specifieke vraagstukken van een organisatie. Na verloop van tijd verhardt nuttig gebruik tot gewoonte. Modellen houden dan oude aannames in stand en dragen een kijk op werk met zich mee die is gevormd voor een werkplek die niet meer bestaat. Bert vraagt hoe lang geleden het is dat we onze eigen gereedschapskist hebben opgeruimd.
Het begrip soevereiniteit krijgt daarmee een bredere betekenis. Volgens De Coutere gaat soevereiniteit in leren ook om intellectuele soevereiniteit: het vermogen om overgenomen modellen te onderzoeken, de verborgen aannames te benoemen, te beoordelen of ze bij de eigen praktijk passen en ze te herbouwen als ze tekortschieten.
Als voorbeeld gebruikt de auteur feedbackmodellen uit de leiderschapsontwikkeling zoals SBI (Situation-Behavior-Impact) of AID (Action-Impact-Do). De meeste modellen delen het uitgangspunt dat feedback is gebaseerd op waarneembaar gedrag in plaats van op oordelen en gaat over wat iemand zelf kan beïnvloeden. Bij nadere ontleding komen volgens hem drie uiteenlopende aannames naar boven. Ten eerste schrijft AID voor wat de ontvanger de volgende keer moet doen, terwijl SBI dat bewust openlaat. Dat is volgens Bert een keuze over macht, autonomie en de vraag wie de oplossing bezit. Ten tweede veronderstellen traditionele modellen dat mensen hun mening open en direct uitspreken. Dat werkt in culturen met weinig impliciete communicatie, maar kan mislukken in hiërarchische culturen waar veel tussen de regels wordt gezegd. Ten derde zijn de modellen ontstaan toen feedback schaars was en in periodieke gesprekken werd gegeven. Nu krijgen medewerkers voortdurend ongevraagde input via digitale kanalen, waardoor filteren en interpreteren vaak een grotere opgave is dan het verpakken van feedback.
Wie modellen ontleedt, hoeft de blinde vlekken niet te accepteren, stelt de auteur. Bouwstenen kunnen bovendien ook uit andere vakgebieden komen. In de innovatiewereld beginnen modellen als POINt (Plusses, Opportunities, Issues, New Thinking) en “I like, I wish, I wonder” bewust met positieve energie en creatieve probleemoplossing.
Voor het ontleden en herbouwen introduceert Bert De Coutere het 8C Process, waarbij generatieve AI als kritische partner kan helpen bij onderzoeken, ontleden, herbouwen en visualiseren. Hij erkent de ironie dat hiervoor opnieuw een model wordt gebruikt. De acht stappen zijn:
- Challenge (een vraagstuk kiezen dat een eigen raamwerk rechtvaardigt),
- Context (werkplekdynamiek, verwachtingen en cultuur in kaart brengen),
- Curate (bestaande modellen en inzichten verzamelen, ook met AI),
- Cut (die modellen terugbrengen tot hun onderdelen),
- Consider (per onderdeel de impliciete aannames en vragen achterhalen),
- Craft (de overgebleven bouwstenen samenvoegen tot een eigen model),
- Couture (het model visualiseren met een diagram, acroniem of afbeelding) en
- Catwalk (het prototype met collega’s testen op kritiek en waardering).
De Coutere leidt op 3 december tijdens OEB 2026 in Berlijn de interactieve sessie “How To Build Your Own Learning Model with the 8C Process“. Daarin wordt het proces toegepast op het aantonen van de impact van leerinitiatieven. Volgens Bert een hardnekkig vraagstuk op het gebied van L&D.
Mijn opmerkingen
Bert De Coutere is, net als ik, een OEB-veteraan. Ik kom hem al meer dan twintig jaar jaarlijks in Berlijn tege. Bert weet inhoud, humor en ironie op een originele manier te combineren. Dat is ook aan deze bijdrage te merken. Bert maakt zelf vaak gebruik van raamwerken en concepten tijdens sessies. Check bijvoorbeeld mijn impressie van Bert’s OEB-sessie van verleden jaar over “The horror house of AI“.
In deze bijdrage schrijft Bert terecht dat je modellen, raamwerken en concepten niet klakkeloos moet overnemen. Aannames expliciet maken is een nuttige gewoonte, ook in het Nederlandse onderwijs, waar modellen als SAMR, TPACK en 4C/ID vaak worden toegepast zonder dat docenten en teams stilstaan bij de veronderstellingen erachter. Bert wijst op tekortkomingen van modellen zoals het slecht aansluiten bij de cultuur, de mensen en de specifieke vraagstukken van een organisatie. Ik herken dat en geef daarom ook vaak een eigen draai aan een model of raamwerk als ik het gebruik. Toen ik jaren geleden bij de Open Universiteit ging werken als projectleider, kreeg ik bijvoorbeeld de vraag: “welke projectmanagement methode gebruik jij?” Mijn antwoord: “De Wilfred Rubens-methode”.
Ik wil overigens ook nog wat toevoegen aan de tekortkomingen van modellen, die Bert noemt. Het komt zelfs regelmatig voor dat modellen, raamwerken en concepten verouderd en achterhaald zijn, verkeerd worden geïnterpreteerd of zelfs onzinnig zijn. Denk daarbij aan het nog steeds vaak gebruikte concept van leerstijlen (onzin), de taxonomie van Bloom (inmiddels herzien) of praktisch elke piramide die op het gebied van leren, opleiden en onderwijs wordt gebruikt (met de ‘leerpiramide van Dale’ als bekendste voorbeeld).
Nota bene: zelfontwikkelde modellen hoeven uiteraard niet altijd te werken. De laatste stap, testen met collega’s, levert kritiek en waardering op, maar nog geen onderbouwing van het effect.