Kansen en uitdagingen van simultaan onderwijs
‘Simultaan onderwijs’ wordt ook na de coronacrisis -bijvoorbeeld bij treinstakingen- nog steeds ingezet. In de Angelsaksische literatuur spreekt men ‘hybrid learning of ‘synchronous hybrid education’. In de blogpost Wat weten we wel en niet over hybride leren? bespreekt Pedro de Bruyckere een inleidende artikel van Gaëlle Molinari en collega’s van een special issue van het tijdschrift Learning and Instruction over dit onderwerp. Hybride leren is een jong onderzoeksveld, waarin we volgens Pedro vooral weten dat de vraag of het werkt te eenvoudig is. Bij ‘Mijn opmerkingen’ verwijs ik naar eerdere analyses over dit onderwerp.
Photo by Mesh on Unsplash
Volgens Molinari cs is sprake van synchronous hybrid education als een deel van de studenten fysiek aanwezig is, terwijl anderen op hetzelfde moment online deelnemen aan dezelfde leeractiviteiten. Volgens Pedro is dat iets anders dan blended learning, waarbij online en fysiek onderwijs elkaar afwisselen. Een eerste conclusie is dat hybride leren niet gezien moet worden als gewoon onderwijs met een camera erbij. Wat er gebeurt, wordt bepaald door een samenspel van technologie, ruimte, didactiek en sociale interactie.
Een duidelijke bevinding is dat hybride lesgeven veel vraagt van docenten. Zij moeten tegelijk aandacht geven aan lerenden in het lokaal en online, en daarnaast de technologie en de leeractiviteiten organiseren. Onderzoekers spreken van de teacher orchestration load. Die belasting is volgens het artikel niet alleen cognitief, maar ook emotioneel. Technische problemen, weinig betrokken lerenden en gebrek aan ondersteuning vergroten deze belasting, terwijl ervaring met de technologie en goede technische en didactische ondersteuning de belasting kunnen verkleinen. Docenten met meer structurele ervaring gebruiken technologie geavanceerder en rapporteren vaker constructieve leeractiviteiten. Toch blijft het ook voor hen lastig om online en fysiek aanwezige lerenden als één groep te laten samenwerken.
Dat zien we volgens Pedro ook bij lerenden. In een van de studies namen fysiek aanwezige lerenden vaker het woord, terwijl online lerenden minder makkelijk participeerden. Zij leverden soms wel langere en meer taakgerichte bijdragen. Groepen bedachten ook zelf oplossingen, zoals het verplaatsen van camera’s. Een andere studie vond eveneens een participatiekloof: zonder extra ondersteuning droegen online lerenden minder vaak en minder lang bij. Extra scripts en reflectieopdrachten leverden nog geen overtuigende resultaten op, al zijn er op groepsniveau aanwijzingen dat ondersteuning de kloof verkleint.
Hybride samenwerking is volgens Pedro echter niet per definitie slechter. In een experiment met 180 lerenden vonden onderzoekers geen significante verschillen tussen volledig fysieke, volledig online en hybride groepen, noch in participatie en kwaliteit van de interactie (beoordeeld door observatoren), noch in de kwaliteit van het eindproduct. Pedro merkt op dat de motivatie om voor hybride te kiezen sterk kan verschillen.
Volgens Molinari cs is nog veel nauwelijks onderzocht. Veel studies zijn kleinschalig of beperken zich tot één activiteit of bijeenkomst, en het meeste onderzoek vond plaats in het hoger onderwijs. Over andere onderwijsniveaus en over maandenlang werken in hybride omgevingen is weinig bekend. Ook is onduidelijk welke combinaties van technologie, groepsgrootte, opdrachten en ondersteuning goed werken, en wat de effecten zijn op leerprestaties, motivatie, welbevinden en verbondenheid. De auteurs pleiten voor grotere en meer diverse steekproeven, replicaties en longitudinaal onderzoek in echte onderwijssettings. Volgens Pedro De Bruyckere is hybride leren in elk geval geen interventie die je simpel tegenover klassikaal onderwijs kunt zetten: gelijke deelname ontstaat niet vanzelf.
Mijn opmerkingen
Het oorspronkelijke artikel van Molinari en collega’s zit achter een betaalmuur. Ik heb het daarom zelf niet gelezen en baseer me op de bespreking van Pedro De Bruyckere.
Ik gebruik zelf, zoals ik ook in de titel en lead heb gedaan, liever de term ‘simultaan onderwijs’. In 2020 stelde ik voor om onderwijs waarbij een deel van de lerenden online en een deel fysiek deelneemt voortaan simultaan onderwijs te noemen. ‘Hybride’ wordt namelijk voor meerdere zaken gebruikt: in het Engels soms als synoniem van ‘blended’, in het Nederlandse beroepsonderwijs voor leeromgevingen waarin school en werk samenkomen. Zie ook deze bijdrage van Fifi Schwarz. Bovendien benadrukt ‘simultaan’ de complexiteit: ik vergeleek het met schaken op meerdere borden tegelijkertijd. De teacher orchestration load sluit daar goed bij aan.
Mijn eerdere blogposts over ‘simultaan onderwijs’ waren vaak kritisch. Zo besprak ik het eerste onderzoek naar de perceptie van docenten, met weinig hoopvolle uitkomsten, en gaf ik de argumenten van Alanna Gillis weer om simultaan onderwijs niet de norm te laten worden. Daar staat tegenover dat ik ook beschreef wanneer simultaan onderwijs wel goed kan werken. Investeringen in technologie en extra mensen spelen daarbij een belangrijke rol. De nieuwe bevindingen passen bij die gemengde lijn. Het experiment zonder significante verschillen nuanceert een somber beeld, maar veel studies zijn klein of beperkt tot één activiteit. De participatiekloof en de belasting van docenten laten bovendien zien dat de kwaliteit van de uitvoering bepalend is, en niet de keuze op zich.
Dat beeld komt overeen met de literatuurstudie van Ria Dolfing en Rouven Hagemeijer van de Universiteit Utrecht, waarover ik eerder schreef. Een Nederlandse samenvatting vind je in het kennisdossier over do’s en don’ts in hybride onderwijs. Volgens deze auteurs is simultaan onderwijs te rechtvaardigen bij onvoorziene omstandigheden zonder duidelijk alternatief, zoals de coronacrisis, en wanneer lerenden ver weg zitten en anders geen toegang tot het onderwijs hebben, bijvoorbeeld bij internationalisering. Ze wijzen op de moeizame organisatie en op het risico van overbelasting door veel multimedia en technologie tegelijk, en raden grootschalige toepassing af. Als do’s noemen ze het voorbereiden van lerenden op deze manier van leren, bijvoorbeeld met regels, het inzetten van asynchrone communicatie tijdens sessies zodat aanwezigen zich bewust zijn van online deelnemers, en het ontwerpen van leeractiviteiten die specifiek bedoeld zijn voor simultane settings. Hun aanbevelingen gaan over communicatie en interactie, motivatie en engagement, en ondersteuning en professionalisering van docenten. Dat sluit aan bij het special issue: de participatiekloof en de orchestration load vragen om didactisch ontwerp en om ondersteuning van docenten. Het belang van het voorbereiden van lerenden moet je volgens mij niet onderschatten.
Relevant is ook dat het onderzoek vooral in het hoger onderwijs plaatsvond. Voor het mbo en andere sectoren weten we nog weinig. Het blijft dus de vraag onder welke voorwaarden en voor welke lerenden simultaan onderwijs verantwoord is. De motivatie om ervoor te kiezen, bijvoorbeeld bij langdurig zieke lerenden, speelt daarbij een rol.
Lees het hele
artikel