Sceptisch over digitale technologie in de klas?
Larry Cuban is onder meer emeritus hoogleraar aan Stanford University. Hij staat kritisch ten opzichte van digitale technologie in de klas. Ik volg hem al jaren. Onlangs publiceerde hij op zijn webblog een bijdrage getiteld “Being Skeptical of Classroom Technology“. Daarin licht hij toe waarom hij tot op vandaag sceptisch blijft. Ik deel zijn mening deels.
Cubans interesse begon begin jaren tachtig, toen de eerste persoonlijke computers in klaslokalen opdoken. Dat werk leidde in 1986 tot “Teachers and Machines”, over het klassikaal gebruik van technologie sinds 1920. In “Oversold and Underused: Computers in Classrooms” (2001) onderzocht hij het gebruik van nieuwe technologieën in kleuterklassen, middelbare scholen en universiteiten. In die tijd heb ik met zijn werk kennis gemaakt. Later publiceerde hij onder meer over docenten die de digitale technologie zo goed beheersten dat deze technologie op de achtergrond van de les raakte.
Deze publicaties plaatsten hem in het kamp van de “sceptici”. Sceptici die kritische vragen stelden over het gebruik van digitale technologie in het onderwijs, werden volgens Cuban door voorstanders van ‘ed tech’ -leveranciers, praktijkmensen, beleidsmakers- vaak weggezet als “Luddite” (mensen die zich in het begin van de industriële revolutie verzetten tegen het vervangen van handwerk door machines). Dat is veranderd, signaleert hij. Openlijke spot met critici raakt uit de mode. Onderwijsprofessionals en anderen die in de kracht van computers geloofden, blijken nu bereid te luisteren naar zorgen over de doelen van onderwijs in een democratie, over de invoering van nieuwe technologieën en over het gebrek aan onderzoek dat aanschaf van apparatuur en software onderbouwt. Steeds meer ouders stellen vragen over schermtijd in de les. Cuban noemt deze veranderingen bemoedigend, maar geen doorslaggevende wending: er zijn nog altijd meer gelovigen dan sceptici.
De kern van de bijdrage vormen vier vragen met antwoorden. Waarom begon Cuban over technologie in het onderwijs te schrijven? Eind jaren zeventig onderzocht hij de geschiedenis van doceren, wat in 1984 uitmondde in “How Teachers Taught”, over Amerikaanse klaslokalen tussen 1890 en 1980. Daarin reconstrueerde hij hoe progressieve hervormers een eeuw lang tevergeefs probeerden lessen van docentgestuurd naar leerlinggericht te maken. In archieven en op foto’s zag hij een opvallende constante: elke hervormingsgolf ging gepaard met nieuwe technologie, van schoolborden, stereopticons en schoolboeken tot overheadprojectoren, film, radio, instructietelevisie en laptops. Hervormers zagen technologie als middel om van traditioneel lesgeven af te komen.
Cuban gebruikt ook zelf “elektronische technologie”. Zowel privé, als destijds als docent. Als hoogleraar bijvoorbeeld de laptop voor snelle peilingen en videofragmenten. Powerpoint-presentaties gaf hij zelden.
Waarom dan die scepsis? Cuban noemt drie redenen.
- Hij is “allergisch voor hype”. Leveranciers en enthousiastelingen presenteerden technologieën als oplossing voor alles, van lage leerprestaties tot vervreemding bij lerenden. Overdreven beloften leiden volgens hem onvermijdelijk tot teleurstelling, teleurstelling tot cynisme, en cynisme tot onverschilligheid en stilstand.
- Bedrijven bieden nieuwe producten vaak tegen lage kosten aan schooldistricten aan, juist omdat het om experimentele alfa- en bètaversies gaat. De bedrijven willen eigenlijk ontdekken of hun product werkt en bruikbaar is voor docenten en lerenden. “Hype plus experimenten op een verplicht publiek” -lerenden zijn immers vaak leerplichtig- is volgens Cuban een giftige combinatie. Docenten en burgers moeten daarom strenge vragen stellen aan bestuurders die apparaten aanschaffen: wat is het bewijs dat lerenden daardoor beter presteren? Wat is het bewijs dat docenten er efficiënter en effectiever van werken?
- De enorme bedragen die aan nieuwe technologieën worden besteed, zonder veel bewijs van effect op onderwijs en leren, gaan ten koste van alternatieven zoals het aannemen van meer docenten, meer professionalisering en kleinere klassen. Dat is niet alleen inefficiënt, schrijft Cuban, maar ook beleidsvorming zonder data.
Mijn opmerkingen
Larry Cuban ken ik, zoals gezegd, al diverse jaren. Ik heb er op mijn blog regelmatig over geschreven. Ik heb veel waardering voor zijn werk. Hij plaatst de huidige golf digitale technologie in een lange geschiedenis van beloftes die zelden zijn waargemaakt. Dat perspectief helpt om kritisch te blijven.
De drie redenen die hij noemt, herken ik. Hype leidt inderdaad tot teleurstelling, en teleurstelling tot cynisme. Ook zijn zorg over experimenteren op een verplicht publiek begrijp ik. En het geld dat naar technologie gaat, kan niet meer naar docenten, professionalisering en kleinere klassen.
Ik wil een paar opmerkingen hierbij maken.
- Er is een verschil tussen hype en daadwerkelijke potentie. Het bestaan van hype betekent niet dat een digitale technologie niets kan bijdragen. Bovendien blijken nieuwe technologieën ook deel uit te maken van een belangrijke trend.
- Je moet ervoor waken om ed tech-bedrijven over één kam te scheren. Sommige bedrijven werken vooral vanuit verkoopbelang, andere ontwikkelen samen met docenten en onderzoekers en zijn open over wat wel en niet bewezen is.
- Tussen en binnen onderwijsinstellingen zie je verschil tussen het aanschaffen van technologie omdat het kan en het doordacht inzetten ervan voor een helder onderwijsdoel.
Waar ik van Cuban verschil, is de vraag naar bewijs vooraf. Wie eerst bewijs wil zien voordat er in de dagelijkse praktijk mag worden geëxperimenteerd, komt in een kringredenering terecht: zonder toepassing geen onderzoek, zonder onderzoek geen bewijs. Volgens mij kom je pas te weten of digitale technologie bijdraagt aan effectiviteit en efficiëntie door zorgvuldig te experimenteren en dat te combineren met onderzoek. Dat vraagt om kleine, goed begeleide pilots, duidelijke doelen en de bereidheid om te stoppen als het niet werkt. Je kunt daarbij ook leren van ervaringen (en onderzoeken) bij vergelijkbare onderwijsinstellingen. Je moet er wel voor waken om dure digitale technologie op grote schaal in te voeren, zonder dat duidelijk is wat de waarde ervan is voor leren, doceren en/of ondersteunende processen.
Tot slot doet context ertoe. Wat in het hbo effectief blijkt, hoeft in het voortgezet onderwijs bijvoorbeeld niet te werken. Leeftijd, zelfstandigheid, IT-vaardigheid, begeleiding en vakinhoud spelen allemaal mee. Bewijs uit de ene context is daarom geen garantie voor een andere.
Cuban houdt ons dus terecht een spiegel voor. Mijn conclusie is niet dat we minder moeten experimenteren, maar dat we dat kritischer, transparanter en met meer oog voor de context moeten doen.
Lees het hele
artikel