Boekbespreking ‘Binnen de kaders en Buiten de lijntjes’
Onlangs is het boek Binnen de kaders & buiten de lijntjes (2026) verschenen, geschreven door Dimitri van Dillen. Een heel fijn boek over de docent als pedagoog (al heb ik met een aantal zaken ook moeite).
Wie kent Dimitri van Dillen niet: enthousiaste spring-in-het-veld, dagvoorzitter, voormalig mbo-docent van het jaar, niet bang voor digitale technologie, netwerker, en de enige persoon die ik ken die aan de Online Educa heeft deelgenomen zonder daarbij vrijwel één sessie te hebben bezocht.
In zijn boek onderzoekt Dimitri hoe docenten beter kunnen aansluiten bij de belevingswereld van de student van nu. De kernboodschap is dat het onderwijscurriculum, de examens en de wetgeving de vaste kaders vormen waarbinnen gewerkt moet worden, maar dat er juist daarbinnen volop creatieve ruimte is om buiten de lijntjes te kleuren. Door de menselijke relatie centraal te stellen en technologie, zoals AI en VR, doelgericht in te zetten, ontstaat betekenisvol onderwijs dat de betrokkenheid en het eigenaarschap van studenten vergroot.
Het boek is opgebouwd uit twee delen. Deel 1 bevat tien theoretische en beschouwende hoofdstukken, waarna Deel 2 parallel daaraan tien hoofdstukken met praktische, direct toepasbare werkvormen biedt. Deel 1 behandelt onder meer de veranderde belevingswereld van de student, een kritische blik op traditionele onderwijsmethoden, de bewuste inzet van AI en VR in de klas, de vertaalslag van aanbodgestuurd naar vraaggestuurd onderwijs, en het bouwen aan sterke, authentieke relaties en een lerende gemeenschap. Ook komen thema’s aan de orde als de omslag van faalangst naar wat Dimitri “faalkunst” noemt, de docent als facilitator in plaats van alwetende zender, en het inspelen op de technologische versnelling. Het deel wordt afgesloten met een manifest voor de onderwijsrebel om te floreren voor de klas. In Deel 2 worden bij elk van deze thema’s concrete werkvormen aangereikt, meer dan dertig in totaal, zoals de verhaleninventaris, de digitale vensterbank, onderwijsarcheologie, de tool-detox, het olijfolieprincipe en de perspectiefcarrousel. Ook is er een gastbijdrage van Barend Last over eigenaarschap.
Met een aantal zaken in het boek heb ik moeite. Bijvoorbeeld met de nadruk op het inspelen op leervoorkeuren. Of met de suggestie dat we een illusie creëren waarin leren een lineair proces is; echt waar?
Ook heb ik moeite met het beeld dat een klas van 1926 nauwelijks verschilt van een klas van 2026, behalve in technologie. Dat beeld is vooral een cliché: het klopt deels, maar is verre van volledig. Op het niveau van organisatievorm heeft dit beeld gelijk: onderwijshistoricus Larry Cuban toont aan dat de “grammar of schooling”, jaarklassen, vaste lesuren, een leraar per groep, al decennia grotendeels ongewijzigd blijft, ondanks hervormingsgolven. Op drie andere punten gaat de vergelijking echter mank. Ten eerste veranderde de machtsverhouding tussen leraar en lerende: vanaf de jaren zestig verdween de autoritaire omgang. Ten tweede veranderde wie er samen leert: waar lerenden met een beperking in 1926 gesegregeerd onderwijs volgden, streven Weer Samen Naar School en Passend Onderwijs nu naar gezamenlijk onderwijs. Bovendien is de doelgroep van het onderwijs sowieso zeer divers geworden. Ten derde veranderde de didactische aanpak: onderzoek naar actief leren, coöperatief leren en formatieve toetsing heeft het lesgeven beïnvloed. De conclusie is dat de betrekkelijke stabiliteit van de organisatievorm ten onrechte wordt gelijkgesteld aan stilstand in de onderwijspraktijk.
Ik heb ook moeite met het gemak waarmee Dimitri over de nadelen van taakswitchen heen stapt, en met de beperkte aandacht voor de ingebouwde verslavende mechanismen van smartphones en sociale media; daartegen is praktisch geen didactisch kruid opgewassen. Verder haalt hij soms termen als kennis en informatie door elkaar, en doet hij Anthony Giddens’ concept van reflexieve modernisering tekort door één van de kernprocessen van dit proces gelijk te stellen aan het concept zelf. Volgens de Britse socioloog Anthony Giddens is reflexieve modernisering de fase waarin de moderne samenleving niet langer alleen de natuur transformeert, maar ook zichzelf begint te veranderen en te bevragen. Reflexieve modernisering draait om twee kernprocessen: reflex, het onbewuste proces waarbij modernisering automatisch haar eigen problemen en risico’s produceert (de risicomaatschappij), en reflexie, het bewuste proces waarbij individuen en instituten, nu oude zekerheden zoals de traditionele kerk, de vaste banenstructuur of het klassieke rollenpatroon wegvallen, voortdurend hun eigen positie, kennis en keuzes moeten evalueren en aanpassen.
Soms refereert Dimitri aan theorieën waar op zich kritische kanttekeningen bij te plaatsen zijn, zoals Carol Dwecks onderscheid tussen fixed en growth mindset, of Tuckmans universele fasen van groepsvorming, die beperkt wetenschappelijk onderbouwd zijn en inmiddels genuanceerd en aangevuld zijn.
Dimitri bekritiseert verder dat we weliswaar nieuwe technologieën gebruiken, maar het onderwijssysteem niet veranderen. Als ik echter lees welke veranderingen hij bepleit, vraag ik me af of daarmee het onderwijssysteem werkelijk verandert. Ook Dimitri laat de kaders namelijk ongemoeid. Kun je het systeem veranderen door alleen buiten de lijntjes te kleuren, nog los van de vraag of dat ook echt noodzakelijk is? Een laatste punt waar ik moeite mee heb (en dat ik wil benoemen), is de constatering dat veel docenten bang zouden zijn voor technologie. Docenten kunnen weerstand hebben, maar dat is iets anders; weerstand is bovendien een informatiebron.
De zaken waar ik moeite mee heb, staan mijn waardering voor de centrale boodschappen en inhoud van het boek overigens niet in de weg. Veel van deze punten had Dimitri trouwens ook kunnen weglaten, zonder de inhoud tekort te doen.
Wat ik waardeer, is allereerst dat het een mooi vormgegeven boek is over hoe docenten beter kunnen aansluiten bij de belevingswereld van de student van nu. Dimitri benadrukt terecht het belang van de relatie tussen docent en student, van studenten daadwerkelijk zien. Mooi is dat hij ruimte geeft aan het onderzoek van Jolien Dopmeijer naar belonging, en aan de visie van Karim Amghar op kansengelijkheid, met daarin onder meer aandacht voor de cultuurgebondenheid van ouderbetrokkenheid. Ook het belang van betekenisvol onderwijs komt goed uit de verf: jongeren moeten de betekenis van het onderwijs als het ware voelen, wat de betrokkenheid bevordert. In het boek worden wetenschappelijke inzichten vertaald naar de praktijk, aangevuld met persoonlijke experimenten en mislukkingen, concrete tools, direct toepasbare handvatten en verhalen waarin dromen werkelijkheid worden. Twee persona’s van studenten, Max en Samira, dienen daarbij als illustratie.
Het boek leest lekker weg en de boodschap is zeer de moeite waard. De docent als pedagoog wordt fraai uitgewerkt, een belangrijk thema. Erg sterk zijn de voorbeelden uit Dimitri’s eigen praktijk, bijvoorbeeld hoe hij studenten inzicht heeft gegeven in waarom een fles olijfolie twaalf euro kost (inmiddels meer). Hij schetst ook terecht de veranderende context waarin jongeren nu leven, met aspecten als sociale media of de overvloed aan keuzes die lang niet altijd gelukkig maakt.
Met aansluiten op de belevingswereld moet je wel oppassen. Of aansluiten bij de belevingswereld van jongeren “van belang” is, valt niet met een simpel ja of nee te beantwoorden; het antwoord hangt af van wat er precies mee wordt bedoeld. Studenten zelf laten verwoorden waarom lesstof betekenis heeft voor hun eigen leven, is een van de weinige interventies met herhaald aangetoonde effecten op motivatie en prestaties, met name voor studenten die weinig vertrouwen hebben in hun eigen kunnen. Maar de stof aankleden met herkenbare, inhoudelijk irrelevante elementen werkt averechts voor het onthouden en toepassen van kennis, en het aanpassen van de didactische methode aan een vermeende leerstijl of generatiekenmerk heeft geen onderzoeksbasis. De algemene oproep om aan te sluiten bij de belevingswereld verdient dus precisering: het gaat niet om de leerstof leuker maken, maar om studenten een persoonlijk relevant verband te laten zien tussen die leerstof en hun eigen leven. Dimitri richt zich wel op betekenisvolheid, maar had dit in het begin explicieter kunnen benadrukken.
Dimitri stelt ook het verbannen van digitale technologie uit het onderwijs ter discussie. Smartphones zijn immers onlosmakelijk verbonden met het functioneren van jongeren. Terecht stelt hij dat technologie voor leren alleen goed werkt als de pedagogische context waarin je het inzet aansluit bij de doelen die je ermee wilt bereiken. Ook zijn waarschuwing voor wat hij het nieuwe-snufje-syndroom noemt, is het waard om ter harte te nemen.
Hoe kom je tot echte relevantie? Dimitri adviseert te starten met nieuwsgierigheid, raakvlakken te zoeken met het leven van de student en ervaringen van studenten als voorbeeld te gebruiken, met als belangrijke waarschuwing de valkuil van geforceerde relevantie.
Ook waardevol zijn de beschrijving van de docent als vertaler van abstracte concepten naar concrete realiteit, de kracht van verhalen in werkvormen, de relatie met de Plakfactor, en het belang van structuur. Verder besteedt Dimitri aandacht aan hoe je studenten mede-eigenaar kunt maken van het leerproces, en aan hoe co-creatie vooral een pedagogische keuze is. Ook het belang om als docent toe te geven dat je het niet allemaal weet, komt aan de orde, net als het belang van de gouden weken en van leren van experimenten. De kracht van productief falen en de paradox van perfectie worden besproken, evenals het belang van het ontwikkelen van een eigen, unieke stijl als docent.
Het boek Binnen de kaders & buiten de lijntjes is een waardevol en vlot geschreven boek met informatieve achtergronden en concrete handvatten over hoe jij als docent als pedagoog onderwijs meer betekenisvol en relevant kunt maken, onder meer door echt een relatie aan te gaan met jouw lerenden. Zoals gezegd een belangrijk thema binnen ons onderwijs dat lerenden moet ondersteunen om hun weg te vinden en te creëren binnen een laatmoderne samenleving vol kansen en risico’s (mede als gevolg van digitale ontwikkelingen zoals AI.
Lees het hele
artikel