Besteden we dankzij vergrendelbare telefoonhoesjes, telefoontassen, telefoons in de kluis niet onevenredig veel tijd aan handhaving?
In ons land worden smartphones op school naar de kluis verbannen nadat is geprobeerd om telefoontassen in te zetten om afleiding te voorkomen. In de VS neemt de populariteit van vergrendelbare telefoonhoesjes binnen het onderwijs toe. Docent Gabe Nitro vraagt zich af of het gebruik hiervan niet meer onderwijstijd kost dan ze opleveren, omdat docenten veel tijd kwijt zijn aan controle en lerenden creatieve manieren vinden om het systeem te omzeilen.
Bij telefoonhoesjes met een magnetische sluiting stoppen lerenden hun telefoon aan het begin van de schooldag in zo’n hoesje, dat alleen kan worden geopend door het tegen een ontgrendelstation te tikken. De gedachte erachter dat hoe minder tijd lerenden op hun telefoon doorbrengen, hoe meer tijd er overblijft om te leren. De meningen over deze aanpak zijn verdeeld. Volgens een peiling van het Pew Research Center is een meerderheid van de Amerikaanse tieners tegen een telefoonverbod tijdens de schooldag. Uit een onderzoek onder 1.098 volwassenen, uitgevoerd door de University of Southern California, blijkt daarentegen dat 93 procent van de volwassenen beperkingen op telefoongebruik steunt.
Nitro erkent dat er iets te winnen valt. Hij verwijst naar een studie die is gepubliceerd in de Journal of the American Medical Association, waaruit blijkt dat Amerikaanse tieners tijdens de schooldag gemiddeld ongeveer 70 minuten op hun telefoon doorbrengen. Die tijd zou ook besteed kunnen worden aan het verwerken van leerstof, aan samenwerken of aan het afronden van opdrachten. Toch is de auteur geen voorstander van de hoesjes, en dat heeft alles te maken met de manier waarop het beleid in de praktijk uitpakt. Zijn schooldistrict verplicht lerenden hun telefoon de hele schooldag in het hoesje te bewaren. Aan het begin van elke les loopt Nitro ongeveer zeven minuten rond om te controleren of elk hoesje daadwerkelijk verzegeld is. Bij zeven lesuren per dag telt dat op tot 49 minuten verloren onderwijstijd. Volgens hem is dat nog een voorzichtige schatting, omdat het toezicht daarmee niet ophoudt.
Lerenden proberen het systeem namelijk op allerlei manieren te omzeilen, schrijft de auteur. Sommigen stoppen een rekenmachine of een kapotte ‘neptelefoon’ in het hoesje, in de hoop dat docenten denken dat de echte telefoon veilig is opgeborgen. Anderen knoeien met de sluiting, zodat die onaangetast lijkt. Nitro zag lerenden bewust te laat op school komen om de controle te ontlopen, potloden gebruiken om het slot open te wrikken of ontgrendelmagneten van docenten stelen. Het gevolg is volgens hem dat docenten er een rol bij krijgen als handhaver van het telefoonbeleid, ten koste van betekenisvolle onderwijstijd.
De opbrengsten zijn bovendien beperkt, zo schrijft hij. Uit het onderzoek “The Effects of School Phone Bans: National Evidence from Lockable Pouches” blijkt dat de hoesjes geen statistisch significant effect hebben op de gestandaardiseerde toetsscores voor Engels van lerenden in het voortgezet onderwijs. De effecten voor wiskunde zijn op zijn best bescheiden.
Volgens de auteur is het probleem van telefoonhoesjes niet dat ze telefoongebruik niet tegenhouden, maar dat ze niets anders doen dan dat. Docenten zijn zo bezig met het opbergen van telefoons en het aanspreken van lerenden, dat ze vergeten waarom die telefoons eigenlijk worden gebruikt. Wie het leren wil bevorderen, moet volgens hem de onderliggende oorzaken aanpakken.
De auteur adviseert scholen om telefoonbeleid met nieuwsgierigheid in te voeren, niet alleen met regels en handhaving. Besteed in de eerste schoolweek enkele lessen aan een open gesprek over telefoongebruik: wanneer, hoe en waarvoor gebruiken lerenden hun telefoon? Bespreek daarna wat onderzoek laat zien over de invloed van telefoons in de klas. Zo ontstaat draagvlak: lerenden begrijpen en accepteren de afspraken. Dat leidt volgens de auteur tot betere leerresultaten én meer eigen regie bij lerenden.
Mijn opmerkingen
Sinds een tijd geldt in Nederland een landelijke richtlijn die mobiele telefoons uit de klas weert, in elk geval in het voortgezet onderwijs en primair onderwijs. De eerste evaluaties daarvan zijn overwegend positief: docenten en schoolleiders rapporteren een betere concentratie en meer sociale interactie tussen lerenden. Tegelijkertijd zijn er nog steeds de nodige vragen hierbij.
Wat ik me naar aanleiding van Nitro’s bijdrage afvraag: zijn docenten in ons land ook veel tijd kwijt met het handhaven van de regel ’thuis of in de kluis’? Bij de telefoontas zag je -heb ik begrepen op basis van anekdotisch bewijsmateriaal- dat lerenden ook oude telefoons in de telefoontas deden. Vergelijkbaar met de praktijk die Gabe Nitro beschrijft als het gaat om de telefoonhoezen. Nitro bekritiseert vooral een specifieke technologie en de bijbehorende controlepraktijk. Zeven minuten per les controleren is een keuze van zijn school, geen noodzakelijk gevolg van restrictief telefoonbeleid. De oplossing ’thuis of in de kluis’ is waarschijnlijk duidelijker en makkelijker te handhaven, al vraag ik me af of het kat-en-muisspel dat de auteur beschrijft hierdoor helemaal verdwijnt.
Gabe Nitro wijst m.i. terecht op het belang om hierover het gesprek aan te gaan met lerenden. Heldere regels en een pedagogische dialoog over telefoongebruik kunnen elkaar daarbij versterken. Een verbod zonder uitleg roept weerstand op, terwijl een gesprek zonder duidelijke afspraken vrijblijvend is. Verder mag hij wel meer oog hebben over het verslavende karakter van smartphones en de apps die daarop worden gebruikt. Om dit verslavende karakter het hoofd te bieden, zullen ontwikkelaars en leveranciers van smartphones en apps aangepakt moeten worden.
Lees het hele
artikel