Hoe moeten onderwijsinstellingen reageren op dalende studentaanwezigheid?
Studenten in het HBO zijn steeds minder aanwezig bij onderwijsactiviteiten en besteden minder tijd aan hun studie. Dat is geen tijdelijk verschijnsel, maar een structurele ontwikkeling. Dat concluderen Hanneke Theelen, Patrick Debats en Izaak Dekker in hun artikel “Voltijds ingeschreven, deeltijds beschikbaar”, waarvan de bevindingen zijn samengevat in de factsheet “Voltijds ingeschreven, deeltijds beschikbaar”.
Bron: https://www.themahogeronderwijs.org/artikel/110-4223_Voltijds-ingeschreven-deeltijds-beschikbaar
De auteurs verwijzen hierbij naar onderzoek naar ruim 8 miljoen aanwezigheidsregistraties van bijna 28.000 studenten van de Hogeschool van Amsterdam (HvA).
De data laten zien dat de gemiddelde aanwezigheid daalde van 43% vóór corona naar 37,5% tijdens de lockdowns en slechts 30,6% daarna. Een overzicht per studiekwartaal laat een neerwaartse zaag zien: elk jaar daalt de aanwezigheid per kwartaal sterk, en door de jaren heen worden de pieken minder hoog en de dalen dieper. Dat betekent dat in een klas van 30 studenten er gemiddeld nog maar 9 aanwezig zijn. Het patroon is zichtbaar op het niveau van opleidingen, studiejaren en domeinen, en de daling lijkt niet aan de lockdowns toe te schrijven, aangezien ze voor de pandemie al had ingezet en daarna is doorgegaan.
Tegelijkertijd neemt ook de studietijd af. Hbo-bachelorstudenten besteedden in 2016 gemiddeld 39 uur per week aan hun studie; in 2024 is dat gedaald naar 29 uur; een daling van 25%. Het percentage studenten dat 40 uur of meer per week aan de studie besteedt, daalde van 51 naar 24 procent, terwijl de groep die minder dan 20 uur per week studeert in acht jaar steeg van 9 naar 24 procent. Opmerkelijk hierbij is volgens de auteurs dat DUO deze data wel verzamelt, maar ze niet rapporteert in de jaarlijkse trendonderzoeken, waardoor de geleidelijke verschuiving mogelijk lang niet is opgemerkt.
Waarom is dit een probleem? Volgens de onderzoekers zijn aanwezigheid en studietijd de sterkste voorspellers van studiesucces. Als studenten minder aanwezig zijn, heb je als instelling minder zicht op stagnaties in het eigen leerproces en mis je de kans om tijdig bij te sturen. Bovendien komen onderwijsconcepten die zijn opgebouwd rond actief leren en interactie -werkvormen die veronderstellen dat studenten fysiek aanwezig en betrokken zijn- onder druk te staan als grote delen van de groep structureel wegblijven.
De onderzoekers gaan systematisch na welke factoren een rol spelen. Studenten zijn meer tijd gaan besteden aan betaald werk: voor hbo-bachelorstudenten steeg dat van 10 naar 15 uur per week. Een toename van 5 uur per week aan bijbanen verklaart daarmee de helft van de afname van 10 uur per week aan studietijd. Wat er met de andere helft is gebeurd, blijft een open vraag. De arbeidsmarkt fungeert niet als een losstaande context, maar als een integrale factor in de tijdsafwegingen van studenten: werkgevers bieden studenten steeds eerder kansen, wat ertoe leidt dat sommigen al in hun tweede studiejaar een baan krijgen aangeboden. Reistijd blijkt geen verklaring te bieden: thuiswonende en uitwonende studenten laten vergelijkbare dalingen in studietijd zien. Sociale media spelen vermoedelijk een kleine rol, maar het is onwaarschijnlijk dat de toename in sociale media-gebruik de vijf ontbrekende uren volledig verklaart.
Binnen het onderwijs zelf wijzen de auteurs op de rol van flexibilisering. Praktisch elke onderwijsinstelling heeft de afgelopen tien jaar gekozen voor flexibilisering van het onderwijs, waardoor de grenzen tussen voltijd en deeltijd in de praktijk vervagen. Die flexibilisering kan volgens de auteurs een impliciete boodschap afgeven dat de studie zich voegt naar het leven van de student, en kan de dalende trend daarmee versterken in plaats van keren. De onderzoekers benadrukken ook dat de daling in aanwezigheid zich voordoet bij alle typen docenten en opleidingen, en dat het beeld dat studenten massaal wegblijven omdat het onderwijs onvoldoende aantrekkelijk is, geen recht doet aan de complexiteit van wat er speelt.
De onderzoekers stellen dat leskwaliteit de dalende aanwezigheid niet volledig verklaart: de daling is zichtbaar bij alle typen opleidingen en docenten, ook bij degenen die goed en interactief onderwijs verzorgen. Dat leskwaliteit geen oorzaak is, betekent echter niet dat ze geen rol kan spelen in het opvangen van de trend. Studenten moeten vooral de overtuiging hebben dat het bijwonen van het onderwijs ertoe doet; het moet dus betekenisvol zijn. Daarnaast kunnen investeringen -bijvoorbeeld als het gaat om docentprofessionalisering- in pedagogisch handelen (denk aan relaties opbouwen, een leerklimaat creëren, betrokkenheid bevorderen) en gezamenlijke teamafspraken mogelijk nog winst opleveren.
Een concreet aangrijpingspunt ligt daarnaast bij roostering. Met een rooster dat voor het hele jaar in één keer bekend wordt gemaakt en waarop lessen altijd op dezelfde dagen vallen, wordt het veel waarschijnlijker dat studenten naar de les komen. Een van de opleidingen in de dataset voerde roosterprincipes als dagdeelindeling en vaste lesdagen door, eerst bij een aantal klassen en later bij alle eerstejaarsstudenten; dit is de enige opleiding en het enige leerjaar in de dataset waarbij na de coronapandemie een stijging in aanwezigheid zichtbaar is.
Over aanwezigheidsplicht zijn de onderzoekers genuanceerd. Onderzoek laat zien dat gedeeltelijke aanwezigheidsplicht netto geen hogere aanwezigheid oplevert en funest is voor de aanwezigheid bij niet-verplichte colleges. Twee opleidingen -de pabo van Hogeschool Rotterdam en de bouwkundeopleiding van Hogeschool Inholland- voerden toch een aanwezigheidsplicht in van respectievelijk 80 en 70 procent. Sindsdien steeg het percentage studenten dat aan de eerste toetsgelegenheid deelnam en op tijd een portfolio inleverde; bij bouwkunde steeg ook het percentage nominale studenten en daalde de uitval.
Ten slotte leggen de auteurs een verband met de opkomst van generatieve AI. Traditioneel functioneerden toetsen als stok achter de deur om te borgen dat studenten de stof goed genoeg beheersten. Nu generatieve AI het voor studenten mogelijk maakt om het leren bij sommige tentamens deels of helemaal uit te besteden, zonder dat docenten betrouwbaar kunnen aantonen dat AI is gebruikt, verliest die stok achter de deur aan kracht. Tegelijkertijd maakt juist de opkomst van AI het belangrijker om studenten te beoordelen op het leerproces in plaats van op het eindproduct. Dat stelt fysieke aanwezigheid en actieve deelname opnieuw centraal, zo menen de onderzoekers.
Hanneke Theelen nam voor Zuyd Hogeschool een keynote op waarin zij deze bevindingen en aanknopingspunten toelicht. Zeker de moeite van het bekijken waard!
Mijn opmerkingen
Er wordt al langer betoogd dat we leven in een aandachtseconomie waarin aandacht een schaars goed is geworden. Dit wordt vaak geassocieerd met de manier waarop bedrijven en online platforms zoals TikTok proberen de aandacht van gebruikers online vast te houden. Deze bijdrage laat zien dat we ook in ons fysieke leven te maken hebben met een strijd om focus en aandacht. Studie is voor studenten één van meerdere prioriteiten geworden, waarbij werk, sociaal leven en andere verplichtingen om aandacht concurreren. Dit is deels veroorzaakt door de keuzes die we als samenleving hebben gemaakt: studiefinanciering alleen is ontoereikend om als student van te kunnen leven. Verder hebben we jongeren nooit echt geleerd om doordacht om te gaan met smartphones en sociale media. Technologiebedrijven mogen hun apps en devices nog steeds vol afleidingsmechanismen op de markt brengen. De mobiliteit van mensen is enorm toegenomen, net als het aantal mogelijkheden om je tijd aan te besteden. ‘Druk, druk, druk’ is dankzij dit scala van factoren het nieuwe normaal geworden.
De vraag is hoe we hiermee in het onderwijs omgaan. De bevindingen zouden namelijk weleens herkenbaar kunnen zijn voor iedereen die in mbo, hbo en wo werkzaam is. Opvallend: in de video meldt Hanneke dat weinig onderwijsinstellingen aanwezigheid net zo systematisch en langdurig bijhouden dan de HvA. Het ontbreekt dus aan data, al kan ik me dat van het mbo eigenlijk niet voorstellen.
Bij het leren van volwassenen speelt het vraagstuk van tijdsbesteding aan studie al veel langer. Open Universiteiten bieden al vele jaren onderwijs aan dat volwassen lerenden in staat stelt werken, leren en een sociaal leven te combineren. De Nederlandse Open Universiteit heeft de afgelopen decennia bijvoorbeeld geleerd dat het belangrijk is om daarbij een balans te vinden tussen flexibiliteit en een meer vaste structuur, en om meer te investeren in leerstrategieën en verbondenheid. Opvallend daarbij is dat het onderwijs deels online wordt gegeven. Daarbij blijkt het ook mogelijk om verbondenheid online te bevorderen. Onderwijsinstellingen, die nu te maken hebben met jongeren voor wie studie slechts één van de prioriteiten is, zouden er goed aan doen om te leren van Open Universiteiten.
Verder maken Hanneke Theelen, Patrick Debats en Izaak Dekker terecht duidelijk dat er geen eenvoudige oplossing is voor dit complexe vraagstuk:
- Het gaat om het didactisch ontwerp: zullen we eens echt werk maken van ‘blended learning’ in plaats van de ‘remote emergency teaching‘ uit de Corona tijd, met authentieke, praktijkgerichte en betekenisvolle leerinhoud? Zoek de balans tussen flexibiliteit en structuur.
- Het gaat om investeren in pedagogisch handelen: betekenisvolle interactie in de les, investeren in verbondenheid (ook online), en het benoemen van het belang van aanwezigheid (fysiek en online).
- Het gaat om het realiseren van duidelijke voorwaarden. Studenten moeten ruim van te voren weten waar ze aan toe zijn. Dat betekent dat de planning lang van tevoren bekend is, dat zij op vaste dagen fysiek naar school moeten komen en dat er geen gaten ontstaan in een rooster. Vaste online synchrone momenten kunnen hierbij ook van dienst zijn. Daarnaast is inzicht in het onderwijsprogramma van belang. Een leermanagementsysteem kan hierbij helpen, mits dat gestructureerd en volledig is ingericht op het moment dat het onderwijs start.
- Zorg voor duidelijkheid over toetsing, maar zorg er ook voor dat meer nadruk komt te liggen op het leerproces, in plaats van alleen het leerresultaat. We moeten ervan af dat studenten vooral leren voor een tentamen. Toen ik in 1983 startte met studeren, zei de docent Historische Pedagogiek dat de inhoud van zijn colleges geen tentamenstof waren. Mede omdat dit het enige college op maandag was (en ook nog eens van 17-19 uur) besloot ik deze colleges niet meer bij te wonen. Achteraf hoorde ik dat dit de beste colleges van dat jaar waren geweest. Ik besloot toen nooit meer alleen te leren om een tentamen te halen.
Lees het hele
artikel