Bloggers

Een overzicht van blogs geschreven door aanbieders die zich hebben aangesloten bij e-Learning.nl.


Van Wilfred Rubens (redactie) | 07-05-2026 | Article Rating | (0) reacties

Is het verkeerd om ‘devices’ binnen onderwijsinstellingen te verbieden?

Behalve pleidooien voor het verbannen van smartphones uit het onderwijs, kom je ook argumenten tegen voor het niet langer gebruiken van tablets en laptops binnen leersituaties. Volgens Richard Culatta, onder meer voormalig directeur educatieve technologie bij het Amerikaanse ministerie van Onderwijs, is een verbod op digitale apparaten in scholen echter een beleidsfout, geen bescherming van lerenden.

Here's the image of a student who is watching a video on a laptop and appears to be daydreaming.De aanleiding voor zijn bijdrage is een golf van wetgeving in meerdere Amerikaanse staten. Missouri verplichtte onlangs dat 70% van de basisschoolopdrachten met pen en papier wordt gemaakt en verbiedt technologiegebruik bij huiswerk. Tennessee voerde een algeheel verbod op technologie in voor kleuterschool tot en met groep acht; in de oorspronkelijke versie gold dit ook voor docenten. Kansas overweegt verplicht printmateriaal voor alle leermaterialen op de basisschool. Virginia beperkt schermtijd per leerjaar en in Utah is een pakket wetten ondertekend dat technologie bij leren sterk inperkt. Culatta begrijpt de achterliggende zorg: de ongecontroleerde toegang van jongeren tot sociale media heeft volgens hem bijgedragen aan een stijging van angstklachten, depressie, cyberpesten en zelfdoding onder jongeren. Maar hij stelt dat de gekozen aanpak fundamenteel onjuist is.

In zijn bijdrage benoemt Richard Culatta twee structurele problemen in de nieuwe wetgeving. Ten eerste worden afleidende entertainmentmedia en doelgerichte educatieve technologie als gelijkwaardig behandeld, terwijl dat niet zo is. Een wiskunde-oefenapp is niet te vergelijken met TikTok; een tekst-naar-spraak-voorziening voor een lerende met dyslexie is geen equivalent van Instagram. Toch behandelen de genoemde wetten beide categorieën als inwisselbaar. Ten tweede richten de wetten zich op de hoeveelheid schermtijd in plaats van op de kwaliteit van wat er in die tijd wordt gedaan. Een tijdslimiet van een uur per dag zegt niets over de pedagogisch-didactische waarde van die activiteit. Wat ook ontbreekt, is een kwaliteitsstandaard voor het papieren alternatief: een docent die een effectieve wiskundeapp vervangt door een eenvoudig ingevuld werkblad, voldoet formeel aan de wet, maar de leerwinst verdwijnt.

Culatta stelt dat goed ingezette educatieve technologie aantoonbare resultaten oplevert. Hij verwijst naar een school in Los Angeles waar een op onderzoek gebaseerd wiskundespel docenten direct inzicht gaf in welke lerende extra ondersteuning nodig had bij specifieke concepten. Andere toepassingen passen leeractiviteiten aan op het niveau of de interesses van de lerende, of signaleren vroegtijdig wanneer iemand dreigt achterop te raken. Dergelijke hulpmiddelen stellen docenten in staat te differentiëren op manieren die zonder technologie nauwelijks uitvoerbaar zijn. De effectiviteit van deze toepassingen is onderbouwd door jarenlang onderzoek, aldus de auteur (de link naar het onderzoek waar hij naar verwijst werkt momenteel niet) .

Voor lerenden met een beperking is het belang van technologie volgens Culatta nog groter. Bijna acht miljoen kinderen in de VS ontvangen speciale ondersteuning; voor velen maakt technologie deel uit van hun individuele onderwijsplan. Een tekst-naar-spraak-app is voor een lerende met dyslexie geen afleiding, maar de manier waarop de lerende toegang heeft tot het onderwijs. De oorspronkelijke versie van de wet uit Tennessee zou docenten zelfs hebben verboden digitale hulpmiddelen te gebruiken, waardoor ook deze ondersteunende toepassingen buiten bereik zouden zijn gevallen.

Ten slotte wijst Culatta op de arbeidsmarktrelevantie van digitale vaardigheden. Inmiddels vereist 92% van de banen in de VS digitale basisvaardigheden. Andere landen -waaronder economische concurrenten van de VS- investeren juist in technologische en AI-competenties bij lerenden. Terwijl Amerikaanse staten debatteren over of basisschoolleerlingen een toetsenbord mogen aanraken, versterken andere landen hun digitale onderwijs, aldus de auteur. Het verbod op technologie beschermt kinderen niet, stelt Culattam maar dwingt hen voor te bereiden op een papieren wereld die niet meer bestaat.

Mijn opmerkingen

Ik deel de mening dat het verbannen van ‘devices’ uit het onderwijs verkeerd is. Het gaat om een pedagogisch-didactisch doordacht gebruik van devices en applicaties. In een publicatie van de Kennisrotonde over de effecten van (een verbod op) smartphones, laptops en tablets in de les en op school op de leerprestaties van vo-leerlingen en mbo-studenten lees je onder meer dat een gerichte inzet van digitale technologie ter ondersteuning van het leerproces effectief kan zijn en nauwelijks leidt tot afleiding. Een vrij gebruik van laptops en tablets kan het leren belemmeren omdat lerenden dan snel afgeleid zijn. Culatta maakt dan ook een terecht onderscheid tussen entertainmenttechnologie en educatieve technologie, en zijn punt over kwaliteit versus kwantiteit is goed onderbouwd. Wat je met ‘device’ doet, maak meer uit dan hoe lang of kort je digitale technologie gebruikt. De observatie dat wetgeving geen kwaliteitsstandaard oplegt aan het papieren alternatief, is scherp: een doordachte digitale werkvorm vervangen door een werkblad is geen gelijkwaardige ruil.

Tegelijkertijd is zijn betoog op punten stelliger dan de beschikbare evidentie rechtvaardigt. Dat educatieve technologie “decennia aan onderzoek” achter zich heeft, klopt voor bepaalde toepassingen. De resultaten zijn wisselvallig en sterk afhankelijk van de wijze van implementeren en gebruik, en de pedagogisch-didactische context (zoals de doelgroep, het didactisch concept en de leeruitkomsten). In de genoemde Kennisrotonde-uitgave valt onder meer ook te lezen dat de meeste scholen er vooralsnog niet in slagen om digitale technologie zo in te zetten dat de positieve effecten opwegen tegen het verlies aan aandacht en concentratie. Daarbij geldt dat de negatieve effecten van “vrij ICT-gebruik” vooral de zwakst presterende lerenden treffen, terwijl lerenden die minder moeite hebben met leren daar gemiddeld weinig last van hebben. Een pedagogisch-didactisch doordacht gebruik impliceert m.i. ook een selectief gericht gebruik van digitale technologie.

Culatta gaat er ook wel erg gemakkelijk vanuit dat boeiend en betekenisvol onderwijs op kan boksen tegen het afleidende karakter van bepaalde digitale technologieën. Gezien wat bekend is over de verslavende mechanismen van smartphones en sociale media, zou hij inmiddels beter moeten weten. Wet- en regelgeving richting big tech bedrijven is op dit terrein nodig, aangezien deze bedrijven niet bereid zijn zelfregulering toe te passen.

Bovendien gaat het artikel nauwelijks in op hoe scholen zouden kunnen bepalen welke technologie wél meerwaarde heeft voor het onderwijs en welke niet. Denk aan het ongericht gebruik van generatieve AI-toepassingen voor feedback versus het gebruik van specifiek didactische ontworpen AI-chatbots voor het geven van feedback.

Wat Culatta ook onderbelicht laat, is het belang om docenten voor te bereiden op en te ondersteunen bij het gebruik van educatieve technologie en hoe je lerenden helpt om effectief te leren met behulp van educatieve technologie.


Lees het hele artikel


Hoe waardeert u deze bijdrage?




Reacties

Plaats hieronder uw reactie.

Naam (verplicht)

E-mail (verplicht)

CAPTCHA Afbeelding
Voer de hierboven staande code in: