Hoe kun je als onderwijsinstelling het welzijn van lerenden bevorderen door het versterken van sociale structuren?
Het mentale welzijn van studenten wordt niet alleen bepaald door individuele factoren, maar ook in aanzienlijke mate door de bredere sociale omgeving van de onderwijsinstelling. Dat schrijven onderzoekers van onder meer de Open Universiteit in het onlangs gepubliceerde onderzoeksartikel “The direct and indirect effects of social environmental factors on student mental wellbeing at different socio-ecological levels”. Dit onderzoek is m.i. ook van invloed op de inrichting van het onderwijsproces zelf, en ook op de inrichting van online leren.
De sociale omgeving van studenten bestaat volgens de auteurs uit meerdere lagen. De meest directe laag omvat persoonlijke relaties en dagelijkse interacties, zoals contacten met vrienden en medestudenten. Daarnaast spelen ook bredere kenmerken van de onderwijsomgeving een rol: de mate waarin studenten zich onderling verbonden voelen, de mogelijkheden om deel te nemen aan het sociale leven van de instelling en de aanwezigheid van sociale structuren zoals studentenorganisaties of peer support-programma’s. Deze lagen beïnvloeden elkaar en vormen samen de context waarbinnen studenten relaties opbouwen, steun ervaren en mentaal welzijn ontwikkelen. De onderzoekers hebben onderzoek gedaan naar de wisselwerking hiertussen.
Zij maakten daarbij gebruik van het zogenaamde Bronfenbrenners sociaal-ecologische model, dat ervan uitgaat dat mensen worden beïnvloed door verschillende niveaus van sociale relaties en structuren: van directe interacties op microniveau (zoals vriendschappen en sociale steun) tot bredere structuren op mesoniveau (zoals sociale samenhang en ‘gemeenschapsorganisaties’ binnen een instelling, zoals een studievereniging, welzijnscommissie of participatieprogramma). Vanuit dit model verwachten de onderzoekers dat mentaal welzijn niet het resultaat is van één enkele factor, maar ontstaat uit een samenspel van invloeden op meerdere niveaus tegelijk. Studenten die goed zijn ingebed in hun sociale omgeving tonen doorgaans meer veerkracht bij de uitdagingen die hun studie met zich meebrengt.
Het onderzoek richtte zich op voltijdstudenten aan de Hogeschool Zeeland en maakte gebruik van een longitudinaal ontwerp met twee meetmomenten. In november 2023 namen 384 studenten deel aan de eerste meting; in juni 2024 waren dat er 207. Op mesoniveau brachten de onderzoekers sociale samenhang, gemeenschapsintegratie en gemeenschapsorganisaties in kaart. Op microniveau werd gekeken naar sociale steun en tevredenheid met het sociale netwerk. Op individueel niveau werden sociaal vertrouwen en het geloof dat wederzijdse hulp loont, meegenomen.
Onder de factoren op mesoniveau vertoonden ‘gemeenschapsorganisaties’ de sterkste en meest consistente relatie met het mentale welzijn van studenten. Dat verband bleef zowel aan het begin als aan het einde van het studiejaar significant. Bovendien verliep een deel van dit effect via de tevredenheid van studenten met hun sociale netwerk: gemeenschapsorganisaties dragen bij aan betere netwerken, en die netwerken dragen op hun beurt bij aan een hogere welzijnsscore. Concreet gaat het dan, zoals reeds aangegeven, om institutionele sociale structuren zoals studentenverenigingen, welzijnscommissies of participatieprogramma’s. Volgens de auteurs is dit juist een factor waarop onderwijsinstellingen actief kunnen sturen, omdat het om bewust ingerichte structuren gaat en niet om toevallige sociale processen.
Sociale samenhang -de mate waarin studenten zich onderling verbonden voelen, elkaar met respect behandelen en geloven in gezamenlijke kracht- bleek aan het begin van het studiejaar significant samen te hangen met mentaal welzijn, zowel direct als indirect via sociale steun en tevredenheid met het sociale netwerk. Aan het einde van het jaar was dit verband minder duidelijk aanwezig. Dat kan erop wijzen dat sociale samenhang met name een rol speelt in de beginfase van het studiejaar, wanneer studenten zich nog een plek proberen te verwerven binnen de instelling en behoefte hebben aan een gevoel van veiligheid en verbondenheid. De mate waarin studenten zich identificeren met de bredere gemeenschap buiten de instelling speelde een beperktere rol dan de interne sociale structuren (‘gemeenschapsintegratie’).
Op microniveau bleken zowel sociale steun als tevredenheid met het sociale netwerk consistent en sterk samen te hangen met mentaal welzijn, en dat op beide meetmomenten. Deze factoren fungeerden ook als tussenschakel: de positieve effecten van factoren op mesoniveau verliepen deels via deze directe relationele ervaringen. Op individueel niveau toonde het vertrouwen dat anderen betrouwbaar en behulpzaam zijn (‘sociaal vertrouwen’) een duidelijk verband met mentaal welzijn én met de manier waarop studenten hun sociale omgeving waarnamen. Studenten met meer sociaal vertrouwen ervaarden hun sociale omgeving als hechter en waren tevredener over hun netwerk.
Voor onderwijsinstellingen biedt deze bijdrage concrete handvatten. De onderzoekers adviseren om gericht te investeren in sociale structuren binnen de instelling: door studentenorganisaties en welzijnscommissies actief te ondersteunen, door gestructureerde activiteiten te organiseren die interactie en inclusiviteit bevorderen, en door ruimte te maken voor door studenten geleide initiatieven en participatieprogramma’s. Peer support-programma’s en community-building evenementen worden daarbij als bruikbare voorbeelden genoemd, omdat ze zowel de ervaren sociale steun als de tevredenheid met het sociale netwerk kunnen vergroten.
Het doel is een sociale omgeving te creëren waarin studenten zich verbonden voelen met de instelling en met elkaar. Dat vraagt om meer dan incidentele activiteiten: het gaat om een structurele inbedding van sociale betrokkenheid in het dagelijkse leven van de instelling. Instellingen die hierin investeren, leggen daarmee volgens de onderzoekers een basis die studenten helpt beter om te gaan met de mentale druk die studeren met zich kan meebrengen.
Mijn opmerkingen
De onderzoekers hebben het onderzoek nadrukkelijk vanuit gezondheidspsychologisch perspectief uitgevoerd. Ik had het fraai gevonden als het onderzoek uitgevoerd zou zijn vanuit multidisciplinair perspectief, en ook gekeken zou zijn naar de rol die het onderwijs zelf kan vervullen in het bevorderen van het mentale welzijn van studenten. Toch kun je op basis van deze bevindingen ook naar het onderwijsproces kijken. Ik denk daarbij aan het belang van actief leren, het gebruik van peer feedback en peer support, en het bevorderen van ‘social presence‘. Leren is niet alleen een cognitief, maar ook een sociaal proces. Ruimte voor sociale onboarding, interactie, samenwerkend leren en meer eigenaarschap over het leren: het sluit m.i. allemaal aan op de bevindingen van dit onderzoek. Het didactische concept is dan een factor op mesoniveau. De uitwerking ervan op het niveau van de leereenheid is een factor op microniveau.
Interessant is m.i. ook om te kijken naar de gevolgen voor online leren. Denk maar aan de Corona-periode. Die periode ging ten koste van het welzijn van veel studenten. Online leren wordt vaak geassocieerd met eenzaam leren, terwijl daar geen sprake van hoeft te zijn. Je kunt ook online sociale contacten onderhouden. Eén van de pedagogisch-didactische richtlijnen voor technology enhanced learning die ik onderscheid, luidt niet voor niets: investeer in online activiteiten die gericht zijn op het genereren van betrokkenheid en verbondenheid (Bond & Bedelier; Dopmeijer en De Jong Weisman). Meer informatie hierover vind je hier, hier, hier, hier, hier, hier en hier. Uiteraard kun je bij online leren ook studieverenigingen en welzijnscommissies hebben. De interactie vindt alleen voornamelijk online plaats. Dat heeft natuurlijk beperkingen en mogelijkheden, in vergelijking met ‘fysiek’ onderwijs.
Lees het hele
artikel