AI in het onderwijs: wat kan ik hierdoor eigenlijk beter doen?
Pragmatische onverschilligheid. Deze combinatie van termen kenmerkt de houding van veel docenten ten opzichte van AI. Zij gebruiken AI bijvoorbeeld om hun onderwijs voor te bereiden, maar niet in het onderwijs zelf. De vraag “Wat kan ik hier nou eigenlijk mee in mijn onderwijs?” blijft voor veel docenten onbeantwoord. Dat is een belangrijke conclusie van het artikel “The AI Use Case Question Teachers Are Still Asking”.
In het najaar van 2024 faciliteerde EdSurge Research discussies met een groep docenten (basis- en voortgezet onderwijs). Een deel van hen ontwikkelde en gaf ook zelf lessen over of met AI. Uit de gesprekken kwamen enkele terugkerende thema’s naar voren, waarvan de opvallendste door de onderzoekers wordt omschreven als een sfeer van onverschilligheid. Die houding sluit aan bij data van het Pew Research Center, waaruit blijkt dat docenten verdeeld zijn over de vraag of het gebruik van AI door lerenden meer schadelijk dan nuttig is.
Onderwijsinstellingen hebben generatieve AI op een andere manier leren kennen dan veel eerdere technologieën. Normaal adopteert een instelling nieuwe technologie via geplande trajecten van experimenteren, professionele ontwikkeling en evaluatie. Bij generatieve AI ging dat anders: consumententools kwamen tegelijkertijd beschikbaar voor docenten én lerenden, vaak voordat onderwijsinstellingen beleid of didactische kaders hadden ontwikkeld (‘arrival technology‘). Docenten leren de technologie zo kennen terwijl ze tegelijkertijd de implicaties ervan proberen te begrijpen.
De meest directe toepassingen die docenten noemen, hebben weinig te maken met het leren van lerenden. AI wordt primair ingezet voor lesvoorbereiding, nieuwsbrieven en administratieve rapportages. Onderzoek bevestigt dit patroon volgens EdSurge: docenten gebruiken AI voornamelijk als productiviteitstool, niet als instructietechnologie. Een docent techniek en informatica in New Jersey beschreef het treffend: hij gebruikt AI routinematig voor lesplanning, maar eigenlijk alleen voor de verplichte administratieve documentatie die toch niemand leest.
Wanneer het gaat om de inzet van AI tijdens de les, blijft de meerwaarde voor het leren onduidelijk. Sommige docenten experimenteren in beperkte mate: een wetenschapsdocent uit Guam laat lerenden een eerste tekstversie schrijven en die daarna verbeteren met ChatGPT, maar ontmoedigt het gebruik voor onderzoek. Een docent speciaal onderwijs in New York laat lerenden een chatbot bewust verkeerd trainen, zodat ze begrijpen dat de kwaliteit van de output afhankelijk is van de kwaliteit van de trainingsdata. EdSurge verwijst in dit verband naar onderzoek waaruit blijkt dat lerenden het meest profiteren van technologie die reflectie en revisie ondersteunt, niet van technologie die de cognitieve inspanning van kritisch denken vervangt. Cases in het EdSurge-artikel wijzen ook op AI-tools als instrument dat lerenden gebruiken voor analyseren en kritisch beoordelen. De deelnemers beschouwen AI niet als een bron van gezaghebbende kennis.
AI-geletterdheid -ik spreek liever van AI-fluency– wordt in het artikel beschreven als een veelbelovend instappunt voor de klas. UNESCO en de OECD beschouwen dit toenemend als een basisvaardigheid: onderwijsinstellingen zouden lerenden moeten helpen begrijpen hoe algoritmische systemen informatie genereren, in plaats van die tools klakkeloos in alledaagse lerenden te integreren. Een docent in de staat New York legt bijvoorbeeld de nadruk op leren prompten én op het controleren van gegenereerde informatie op fouten en bias. Docenten uiten ook zorgen over hallucinaties in AI-output en het risico dat leerlingen te afhankelijk worden van de technologie.
Samenvattend kun je stellen dat docenten AI-technologie toepassen op gebieden waar dit duidelijk tijd bespaart, terwijl ze de kernactiviteiten van het onderwijs ongemoeid laten. Deze houding getuigt volgens EdSurge van professioneel inzicht, en niet van weerstand tegen onvermijdelijke technologische vernieuwing.
Mijn opmerkingen
Binnen het onderwijs zijn we gewend om nieuwe technologie te gebruiken, zonder het onderwijs zelf te veranderen. Je ziet dat bijvoorbeeld met YouTube -gebruiken naast de gewone instructie- of met een leermanagementsysteem (door bijvoorbeeld de workflow rond opdrachten te faciliteren in plaats van onderwijs meer flexibel te maken). Docenten vragen zich ook altijd terecht af: wordt mijn onderwijs er beter van, leren lerenden hierdoor beter? Dat is een legitieme vraag, die zeker ook voor AI geldt. Je hoeft AI-technologie ook niet tijdens de les in te zetten.
Tegelijkertijd moet je wel over een aantal zaken nadenken. Bijvoorbeeld over wat lerenden nog moeten leren nu AI een aantal taken van beroepsbeoefenaren overnemen of ondersteunen. Of over hoe je kunt bevorderen dat AI-technologie het leren kan versterken en niet belemmeren. AI-technologie wordt wellicht niet tijdens de les gebruikt, maar wel daarvoor en daarna voor leren. De adoptie van AI-technologie raakt het onderwijs hoe dan ook en noopt m.i. onderwijsinstellingen om fundamenteel na te denken over het onderwijs. Aan deze vraagstukken besteedt het EdSurge-artikel geen aandacht.
Er is m.i. overigens niets mis om AI-technologie te gebruiken als ‘productiviteitstool’. Deze technologieën hebben alleen al toegevoegde waarde als zij bijdragen aan werkdrukverlaging. Of daar sprake van is, hangt van meerdere factoren af (zoals de bekwaamheid om deze technologieën te kunnen gebruiken).
Mijn bronnen over (generatieve) artificiële intelligentie
Deze pagina bevat al mijn bijdragen over (generatieve) artificiële intelligentie.
Lees het hele
artikel